| Het beeld van de Zoete Moeder |
|
Op de plaats, waar de eerste Sint Janskerk omstreeks 1210 was gebouwd, begon men in 1380 met een tweede kerk, veel grootser en luisterrijker, dan de eerste. Daarvoor werden enige bouwloodsen opgericht, want het omvangrijke werk zou een paar honderd jaar lang duren. In deze loodsen borg men materiaal op, men kapte er de steenblokken en werkvolk ging er voortdurend in en uit. Op een koude januaridag van het jaar 1380 wilde een jonge arbeider in een van de loodsen en vuurtje aanleggen. Daarvoor zocht hij tussen de rommel naar hetgeen brandbaar was en vond er een bestoft, beschimmeld houten beeld, ongeveer 1.15 meter hoog, uit hard inlands eikenhout gesneden. Hij wist niet dat het een Mariabeeld was, want het kindje op de linkerarm ontbrak. Waarschijnlijk was het niemand bekend, waar het vandaan kwam en, doordat het achteloos tussen de rommel lag, stelde blijkbaar ook niemand daar prijs op. De jonge man nam derhalve een bijl, om het stuk te hakken, toen de bouwmeester de loods binnentrad en hem tegenhield. "Ongelukkige", riep hij uit, "wat gaat gij beginnen! Ziet gij niet, dat het een beeld is van de Moeder Gods?". Geschrokken viel de jonge arbeider op de knieën, vroeg God en Maria om vergiffenis en beloofde alles goed te maken. Op witte donderdag bracht hij het beeld naar de gedeeltelijk gereed gekomen Sint Janskerk, om het een plaats te geven tussen de beelden, welke, ter versiering van het H. Graf waren opgesteld. Doch de personen die het H. Graf gereed maakten, wezen het af. "’t Is lelijk, oud, onooglijk", zeiden zij. Verontwaardigd antwoordde de jongeman: "Gij zelf zijt oud en lelijk", en liet het staan. Toen daags daarna, op Goede vrijdag, de andere beelden naar hun plaats werden teruggebracht, bleef dit Mariabeeld alleen achter. Wat moest men er mee beginnen? Een godvruchtige man, broeder Wouter genaamd, ontfermde zich erover. Hij plaatste het op het Sint Michaelsaltaar, in een van de straalkapellen, achter het hoogaltaar, aan de zuidzijde. Omstreeks een half jaar daarna vond de priester, die op dit altaar geregeld de H. Mis las, het toch te lelijk en liet het door een knecht ergens in een hoek zetten. Dit verdroot broeder Wouter en hij vroeg het aan de koster ten geschenke. Toen hij het nu, tegen Lichtmis van 1381, mee naar huis wilde nemen, voelde het zo zwaar aan, dat hij het in de kerk moest achterlaten. Toch nam schijnbaar niemand daarvan notitie, want men bracht het beeld naar het Onze Lieve Vrouwenkoor, aan de noordzijde van het hoogaltaar, waar het soms naast, soms achter het altaar geplaatst werd. Kort na Pinksteren 1381 werd dit Mariakoor geschilderd en broeder Wouter verzocht de schilder ook zijn beeld op te knappen. Doch de kunstenaar weigerde. Zijn zoon echter bestreek lachend de wangen van het beeld met gele verf en broeder Wouter haalde de kleuren nog wat bij. Nu werd het beeld zo onooglijk, dat het in de kerk van de ene hoek naar de andere verhuisde en dat broeder Wouter er niets meer over durfde zeggen, ja, het zelfs niet meer mee naar huis wilde hebben. Want toen de koster vroeg, waarom hij het beeld niet meenam, antwoordde hij: "Het is zo lelijk. Stond het bij mijn bed ik duchtte, dat ik er van zou verschrikken.". Toch liet broeder Wouter het beeld niet geheel los, want, toen hij in het bezit kwam van een stuk oud lijnwand, met bloemen doorweven, besloot hij daarvan voor het beeld een mantel van twee stukken te maken. Een zekere juffrouw Oda zou hem daarbij behulpzaam zijn. Deze talmde echter zo lang, dat broeder Wouter maar besloot, om het zelf te doen. Op zekere nacht viel hem in, dat eerst het kindje terecht moest komen, het welk van de linkerarm van het beeld verdwenen was. Toevallig liep hij ’s anderendaags door de Orthenstraat en zag daar kinderen met het kleine beeldje spelen. Hij nam het af, ofschoon de kinderen groot misbaar maakten en zette het Jezusbeeldje op de linkerarm van het beeld. Sommigen beweren, dat dit beeldje tot een later tijdperk zou behoren, doch anderen houden vol, dat zowel materiaal, als uitvoering, voor dezelfde beeldhouwer pleiten. Het Mariabeeld draagt een tuniek, door een gouden band om het middel opgehouden, welke in diepe plooien op de geschoeide voeten valt. Een matig lang overkleed glijdt over de opzettelijk smal gemodelleerde schouders, bedekt de borst en de voorste pandenhangen over de armen. Deze mantel valt in statige, dertiende-eeuwse, drapering tot over de knieën, waar hij, helaas, aan de beide plooien van de voorzijde een weinig beschadigd is. De kleur van de tuniek is rood met zonnetjes en adelaars bezaaid, de kleur van het overkleed is diep olijfkleurig groen. De beide armen van Maria zijn opgeheven, op de linkerarm biedt zij aan Jezus een appel aan, ter herinnering aan de vrucht van het aardse paradijs, opdat de tweede Adam zou herstellen, hetgeen de eerste had misdreven. Het gelaat van de Moeder Gods vertoont een aanminnige glimlach. Reeds in april en mei 1383 wordt de titel "Zoete" aan deze Lieve Vrouw toegekend. Wij kennen het beeld van de Zoete Moeder niet anders, dan bekleed met een breed uitlopend kleed en over het hoofd en mantel, welke naar onder wijd is uitgespreid. Sommigen beweren, dat dit een voortvloeisel is van Spaanse wansmaak, welke dient te worden weggenomen, doch anderen zeggen, dat het beeld, lang voor de Spaanse tijd, bekleed is geweest. Reeds broeder Wouter bekleedde het beeld met de door hem gemaakte mantel en plaatste het aldus op het altaar van de H. Martinus. Maar de kerkbezoekers lachten er mee; een man tekende met houtskool twee ogen in het hoofd, waardoor het zo lelijk werd, dat een vrouw uitriep: "Jezus, wat is dat beeld misvormd en vergeeld." In de nacht daarop verscheen Maria aan die vrouw en zei: "Waarom hebt gij gezegd, dat ik lelijk ben? Ik, die schoon ben in het eeuwig leven, in het hoogste des hemels! Ik beveel u dus, dat gij tot mij uw toevlucht neemt, om uw lijden te boven te komen en om het eeuwig leven te verwerven.". Geheel ontdaan gaat zij de volgende morgen naar de kerk, waar zij een jonkvrouw voor het beeld ziet neergeknield. Zij verzocht haar te willen zorgen, dat het gezicht beter geschilderd wordt en dat de arm van het kindje wordt gerepareerd; zij belooft daarvoor wat geld te zullen bijdragen. Nauwelijks heeft zij dit gezegd, of daar nadert een andere vrouw, die begint te spotten: "Onze Lieve Vrouw staat daar, alsof Zij de geelzucht heeft, we zullen Haar fijn zout ingeven.". Plotseling slaat de spotster tegen de grond, "haar was wee te moede," zegt de oude geschiedenis. Veertien dagen lang lag zij ziek te bed, totdat zij wat geld offerde voor de versiering van het beeld, teneinde Maria tot barmhartigheid te bewegen. Dit alles geschiedde in de zomer van 1381. In het begin van de daarop volgende herfst had het eerste wonder plaats. Het was met Hadewich van Vichten, huisvrouw van Jan Timmermans, die al drie jaar aan lamheid leed. In de nacht van zondag vóór St. Michael meende zij Christus te zien in menselijke gedaante, armoedig gekleed, zoals Hij bij zijn omwandeling op aarde placht gekleed te gaan. "Hadewich," sprak Hij, "wilt gij genezen?" – "Gaarne" antwoordde zij "ik ben bereid." – "Ga dan," sprak de Heer, "in de St. Janskerk, waar de verworpen Lieve Vrouw staat en offer Haar een wassen been. Gij zult zeker genezen.". Dit gebeurde inderdaad. Vanzelf maakte deze gebeurtenis grote indruk en wekte de mensen op tot eerbiedige verering. Het beeld werd aan de zorg van een kunstschilder toevertrouwd, waarvoor jonkvrouw Oda het geld schonk; daarna plaatste men het, keurig geschilderd en getooid in de doopkapel, de woonplaats van de Zoete Moeder. Het jaar daarop brak daar brand uit. "Het brandt voor onze Lieve Vrouw," riepen de mensen. Zo hevig woedden de vlammen, dat redding onmogelijk scheen. "O schone Moeder Gods, red zelf uw beeld!" riep een stem. Inderdaad, de gedaante als van een mens zweefde toen in het vuur. Hierop wierp een vrouw zich naar voren en, geholpen door een man, nam zij het beeld van de brandende troon en bracht het in veiligheid. De mantel was reeds verschroeid en een schilder heeft toen de brandschade met nieuwe kleuren hersteld. De godsvrucht tot de Zoete Lieve Vrouw van Den Bosch nam steeds meer toe. De roep van Haar goedheid trok pelgrims van heinde en verre en talrijke mirakelen en gebedsverhoringen werden opgetekend, om de herinnering daarvan voor het nageslacht te bewaren. In het archief van de Sint Janskerk zijn nog aanwezig de op schrift gestelde verklaringen met vermelding van getuigen van wondervolle genezingen o.a. van 8 maart 1383 en van 29 mei 1383, opgemaakt in de kapel van O.L. Vrouw van Den Bosch. Nooit zag de Zoete Lieve Vrouw een zo talrijke en zo hoge adel in Haar heiligdom als in 1481, toen keizer Maximiliaan in de Sint Janskerk het kapittel hield van het Gulden Vlies. Toen vertoefden in ’s-Hertogenbosch: Ferdinand, koning van Castilië, Ferdinand, koning van Napels, Eduard van Engeland, Engelbert van Nassau, Willem van Egmond, de jeugdige Philips de Schone. Zij woonden als Vliesridders de plechtigheden bij in de St. Jan en vereerden de Zoete Moeder. Wellicht werd bij deze gelegenheid de laatste beschildering op het beeld aangebracht. Het eigenlijke verhaal over het ontstaan van de verering van de Zoete Moeder kennen we uit een geschreven berijmde kroniek, welke in 1422 schijnt te zijn vervaardigd door Johannes Ruermont van Boekhout. Het oorspronkelijke handschrift bezitten we niet meer, slechts een kopie van waarschijnlijk het jaar 1550. Hier kan men opmerken, dat, zonder Mariaverering, zonder de feesten van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap, zonder de schitterende ommegangen en de pelgrimstochten, het stads - en kerkbestuur nooit in staat zou geweest zijn, om zulk een prachtige kathedraal te bouwen. Hoe groot het vertrouwen van de Bosschenaren in de Zoete Lieve Vrouw was, blijkt ook hieruit, dat van ouds de privilegiën en handvesten van de stad in de kapel van de Zoete Moeder werden bewaard, als een erkenning van Maria als de Patrones en Beschermvrouwe van ’s-Hertogenbosch. Lief en leed heeft de Zoete Moeder met Haar kinderen gedeeld. Zij heeft de stadsbrand meegemaakt van 1419 en de hevige brand in de St. Jan van 1584, doch ook de beeldenstorm van 21 augustus 1566. Gelukkig kon toen het beeld van de Zoete Moeder met enkele kostbaarheden in veiligheid op het stadhuis worden gebracht. Maar het gepeupel maakte zich ook heer en meester van het stadhuis en het mag wel een wonder genoemd worden, dat het beeld toen aan de handen van de vernielers ontkwam. Het volgend jaar, op 14 april 1567, kwam de graaf van Megen met zijn troepen in de stad, die de orde herstelde. De Zoete Moeder troonde wederom in Haar eeuwenoud heiligdom, ofschoon in de volgende jaren de burgerij telkens opnieuw onder de wapenen moest komen, om de oproerige protestanten, zowel in de stad als daarbuiten, in toom te houden. Het waren verwarde tijden, doch men mene niet, dat toen ’s-Hertogenbosch ontrouw is geworden aan haar traditie, want voor de overgrote meerderheid van de burgerij bleef waar, wat prelaat Wichmans schrijft in "Brabantia Mariana" (Mariaans Brabant): "Wie zal ons het begin aanwijzen der Mariaverering in deze stad, die steeds met hart en ziel aan de Moeder des Heren gehecht was." |
Wonderbeeld